zondag 18 december 2016

De grachten van Amsterdam





De grachten van Amsterdam

In een prijsvraag leverde deze tekst me het boek De grachten van Amsterdam op. 

Jan Haije

In de jaren ‘20 van de 18e eeuw komt mijn voorvader Jan Haije naar Amsterdam. Hij is afkomstig uit het Oldenburgerland in Noordduitsland; een arm gebied met veel economische en politieke problemen. Zijn ouders overlijden als hij zestien jaar oud is. Samen met zijn 4 jaar oudere broer Willem kreeg hij de zorg voor 4 jongere broertjes en zusjes onder de tien jaar. Evenals de migranten van nu besloten zij waarschijnlijk dat één van hen naar Amsterdam zou gaan en dat de rest van de familie later zou volgen. Dat lukt gedeeltelijk. Willem komt regelmatig naar Amsterdam voor werk, maar zijn eigen jonge gezin blijft toch gevestigd in het Oldenburgerland. Van de kleintjes overleven twee het harde lokale bestaan. Later komen ook zij naar Amsterdam.


Jan werd de stamvader van 8 generaties Amsterdammers die pas in de tweede helft van de twintigste eeuw uit Amsterdam zouden vertrekken. Jan werd geen rijke koopman; invloedrijke regent of succesvolle kunstenaar.
Jan was metselaar. De huizen aan de grachtengordel waren al klaar toen hij kwam. Als eenvoudige migrant met een kleine woning in de Jordaan moet hij met ontzag naar deze stadspaleizen gekeken hebben. Dichterbij dan het grachtenhuis waar zijn zuster dienstbode was zal hij nooit geweest zijn.
Maar als metselaar heeft hij zijn steentje bijgedragen aan de opbouw van de stad en er is vast nog ergens een stukje muur waar hij aan meegemetseld heeft. Als ik door de stad loop kijk ik vaak met trots rond en zie hem in gedachten ergens op een steiger aan het werk.
Hij wordt vast niet genoemd in het boek “De grachten van Amsterdam”, maar in mijn boekenkast zou het in elk geval een ereplekje krijgen ter nagedachtenis aan Jan en al die andere hard werkende bouwvakkers van eeuwen geleden die de stad gebouwd hebben.


woensdag 14 december 2016

De ouwe oma


Dit is mijn oma naar wie ik ben vernoemd. Ze is van 20 december 1871. 



Ze overleed op 18 april 1962, 90 jaar oud. De ‘ouwe oma’ zeiden we, ter onderscheid van de andere veel jongere oma.
Ze heeft nooit een badkamer in huis gehad of zelfs maar warm water uit de kraan en liep tot haar 90ste probleemloos de steile Amsterdamse trappen op naar haar woning op driehoog. Daar klaagde ze nooit over, maar ze bleef wel haar leven lang boos dat ze van haar vader geen ‘school maitresse’ had mogen worden maar als dienstbode aan het werk moest.
Ze las de Trouw en de Elisabethbode, was lid van de NCRV en stemde op de AR. In de vensterbank stond het VUbusje met Abraham Kuyper erop. In de huiskamer stond een orgel waar Ome Co met veel overtuiging liederen van Johannes de Heer op speelde.
Ze kon prachtig vertellen; griezelige verhalen; met veel fantasie aangevulde halve waarheden. Over wilde stormen op woeste zeeën die haar vader maar ternauwernood overleefd zou hebben; over de dokter die ze met een meterslang mes, op haar af zag komen toen ze ooit een blindedarm operatie moest ondergaan; over een rare professor waar ze werkte en die dol was op vissenogen. Alles in het
kleurrijke, platte Amsterdams van haar generatie.
 Ooit vulde ze een zinken teil met sneeuw, sleepte hem driehoog naar boven, zodat ik als kleine peuter met sneeuw kon spelen.
Ze sneed dikke sneden witbrood; het brood tegen haar boezem en boezelaar geklemd. Ze braaddde kaantjes; pelde kilos garnalen voor op brood en in de gehaktballen. Ze maakte knetterzure uien en augurken in grote weckflessen. Ze kocht ‘gazeuse’ voor ons, gaf ons ‘kassaussies’  en lollies en aardbeien met slagroom. Met Oud en Nieuw waren er slagroomsoesjes; een familietraditie die zelfs nu nog voortleeft.